Vrijspraak ondanks sturen foto’s van een wapen, een mes en bedreigende woorden naar een van zijn collega’s
In de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, van 2 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:379 deed de rechtbank een opvallende uitspraak. De verdachte had naar zijn collega’s fotp’s van een wapen en een mes gestuurd en hij heeft daar bedreigende woorden aan toegevoegd.
Naar aanleiding van de tramaanslag in Utrecht op 18 maart 2019 neemt een collega van verdachte, [persoon 2] , via WhatsApp contact op met verdachte met de vraag of het goed met hem gaat. Vervolgens zegt verdachte dat hij voorbereid is en stuurt hij foto’s van een mes en een gasdrukpistool. Daarna ontstaat er een discussie die niet meer gaat over het zichzelf verdedigen tegen een terreuraanslag, maar zegt verdachte dat hij ‘oude collega’s en managers op kantoor gaat opruimen’. Het is aannemelijk dat verdachte aanvankelijk niet het doel heeft om vrees op te wekken, maar daarna komt de dreigende toon van verdachte naar voren. Hij blijft – ondanks het feit dat [persoon 2] hem tot drie keer toe vraagt of hij een geintje maakt en of hij wil ophouden – in zijn rol hangen.
Volgens de officier was het zo dat de verdachte bij de vraag van [persoon 2] had moeten aanvoelen dat het geen ‘grapje’ meer was. Hiermee kan worden bewezen dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het bedreigen van zijn collega’s.
De rechtbank vond dit echter van niet.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de bedreiging (feit 1) op grond van het volgende. Hoewel de door verdachte geuite bewoordingen (en meegestuurde foto’s) in het WhatsAppgesprek in het algemeen in redelijkheid de vrees kunnen opwekken dat de bedreiging zal worden waargemaakt, is voor een bewezenverklaring ook vereist dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op het opwekken van die vrees heeft gehad. De rechtbank vindt dat niet bewezen kan worden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [persoon 2] en/of andere collega’s van het bedrijf zich daadwerkelijk bedreigd zouden voelen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het nooit zijn bedoeling is geweest om iemand te bedreigen, dat hij [persoon 2] alleen zat te “jennen” en dat hij dit wel vaker deed bij [persoon 2] . Ook uit de getuigenverklaring van [persoon 2] en de aangifte van de directeur van het bedrijf blijkt dat verdachte op een bepaalde manier omging met zijn collega’s waarbij hij ‘(flauwe) grappen’ uithaalt en “puberaal gedrag” vertoont. Verder blijkt uit de geconstateerde psychische problematiek bij verdachte, en dan met name de autismespectrumstoornis, dat hij niet goed aanvoelt wat de impact is van wat hij zegt. Hoewel de acties van verdachte zeer ongepast zijn en de gevolgen hiervan uiterst ongelukkig zijn geweest (zo heeft het bedrijf het kantoorpand laten ontruimen en een veiligheidsbedrijf ingehuurd), is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte dit op enig moment heeft (moeten) voorzien. Bij gebrek aan (voorwaardelijk) opzet bij verdachte is er daarom geen sprake geweest van een (strafrechtelijke) bedreiging.
< Terug naar Bedreiging